Fouten

Tijdens de partij kunnen spelers verschillende fouten maken. Ik behandel ze hieronder stuk voor stuk.

1 Uitgesprongen bal.
Een bal is uitgesprongen als deze buiten de houten omlijsting komt, of als de arbiter heeft geconstateerd dat de bal die omlijsting heeft geraakt.
Is die bal op de grond gevallen, dan dient de arbiter hem te reinigen.
Bij libre klein, zoals wij spelen geld: Zijn een of meer ballen uitgesprongen, dan dienen alle ballen in de beginpositie te worden geplaatst (acquit)

2 Touché.
Met touché wordt bedoeld het ongewild aanraken met de keu of op welke andere wijze dan ook, van een van de ballen, anders dan door een van de andere ballen.
Het komt vaak voor dat een speler met zijn pomerans ongewild de speelbal raakt en deze door een reflexbeweging nog een tweede keer raakt. Men kan dan stellen dat de eerste aanraking reglementair juist en de tweede aanraking reglementair onjuist is. Men kan ook zeggen dat de eerste aanraking ongewild is, dat de speler niet bewust stootte en dus de bal aanraakte, wat dan als touché moet worden beschouwd. Na deze fout mag de speler de bal niet meer aanraken, de tweede stoot is dan niet geoorloofd en de ballen moeten dan worden teruggelegd in de positie waarin zij lagen (of waarschijnlijk zouden zijn gekomen) na het maken van de eerste fout.

3 Indirect touché.
Het naar het oordeel van de arbiter, zo handelen dat de speler een of meer ballen – zonder deze direct aan te raken – van plaats of loop doet ver- anderen. Bijvoorbeeld door het blazen naar een bal, het tegen het biljart oplopen waardoor de ballen worden verplaatst etc. Dit moet echter met opzet gebeuren.

4 Biljardé.
Dit is een van de moeilijkst te constateren fouten, ik zal later hier een apart stukje over schrijven. Bedoeld wordt het nog met de pomerans in aanraking zijn met de speelbal op het moment dat deze een tweede bal raakt, het zogenaamde “doorduwen”. Het spelen via een bal of band, waartegen de speelbal “vast” ligt, is ook een biljardé.
Denken dat een speler wel biljardé zal maken, is een gevaarlijke zaak. Het komt voor dat een speler een veel grotere technische kennis heeft dan de arbiter en wel degelijk kan afstoten zonder een fout te maken. De arbiter mag dan ook alleen een speler wegens biljardé aftellen, als hij met zekerheid waarneemt dat de speler inderdaad een biljardé heeft gemaakt. Bij twijfel moet de arbiter de speler laten doorspelen.

5 Voeten los.
Spelers moeten tijdens de afstoot met minimaal één voet contact houden met de grond. Doen zij dit niet, dan wordt dit als fout aangerekend.

6 Merkteken.
Indien een speler, bij het berekenen van zijn stoot, een merkteken aanbrengt op het biljart, bijvoorbeeld een krijtstreepje, of het plaatsen van het krijtje, om bij het afstoten daarmee het juiste richtpunt te vinden, wordt hij afgeteld wegens het aanbrengen van een merkteken.

7 Verkeerde bal.
Het spelen met een andere bal dan de speelbal wordt aangeduid met de fout “Verkeerde bal”.

8 Bewegende bal.
Het afstoten op een moment dat één of meerdere ballen nog niet geheel tot stilstand is of zijn gekomen, is ook een fout. De arbiter moet er wel rekening mee houden dat, indien een speler afstoot op het moment dat nog niet alle ballen stilliggen, ook de vorige carambole ongeldig is. Deze voorafgaande carambole is namelijk pas geldig, nadat alle ballen tot stilstand zijn gekomen. Dat was nog niet het geval, zodat de arbiter niet alleen de speler moet aftellen, maar ook de laatst getelde carambole moet herstellen.